Puppy- en kittenvaccinaties

Vaccinaties bij pups en kittens

Pups en kittens worden vanaf een bepaalde leeftijd een aantal maal gevaccineerd. Maar waarom eigenlijk? En wat bepaalt nou wanneer de eerste vaccinatie het best gegeven kan worden? Dit heeft te maken met een aantal zaken, namelijk met het jonge immuunsysteem, de antistoffen van de moeder, de infectiedruk in de omgeving en het vaccin zelf.

Onvolwassen immuunsysteem

Het immuunsysteem van pups en kittens is tot de leeftijd van 9-12 weken nog niet voldoende ontwikkeld. De eerste vaccinatie van pups op de leeftijd van 6 weken en kittens 9 weken geeft daarom een onvoldoende immuniteitsopbouw.

Wanneer wordt de eerste vaccinatie gegeven?

De meeste pups krijgen hun eerste prik als ze 6 weken oud zijn.

Moment van vaccineren

Na de geboorte hebben pups en kittens een onvoldoende ontwikkeld immuunsysteem en zijn bovendien nog nooit in contact met pathogenen geweest. Daardoor zijn deze jonge dieren erg gevoelig voor infecties en ziekte die door onder andere virussen worden veroorzaakt. Om de pups en kittens in de eerste levenweken tegen deze pathogenen te beschermen krijgen de jonge dieren via de melk antistoffen van hun moeder (indien deze elk jaar gevaccineerd is). Dit wordt ook wel de passieve maternale immuniteit genoemd. De sterkte en de beschermingsduur van deze passieve maternale immuniteit wordt door twee zaken bepaald, namelijk de hoeveelheid antistoffen die de moeder aan hun nakomelingen geeft en de infectiedruk in de omgeving.

Waarom niet wachten met vaccineren?

Soms wordt er wel eens gevraagd waarom er niet wordt gewacht met vaccineren tot een moment waarop de antistoffen van de moeder de vaccinatie niet meer hinderen en het immuunsysteem voldoende ontwikkeld is.

Te lang wachten met vaccineren

Het probleem is echter dat we dit moment niet exact kunnen vaststellen. Doordat te laat vaccineren ernstige gevolgen kan hebben, geven we de eerste inenting daarom liever te vroeg dan te laat. Wordt er namelijk te lang met de eerste vaccinatie gewacht, dan bestaat het risico dat de pup of kitten gedurende een korte of lange periode onbeschermd is tegen infecties en ziekte. Als er bijvoorbeeld pas 3 weken na het wegvallen van de bescherming van de moeder voor het wordt eerst gevaccineerd, dan is de pup of kitten in die periode erg gevoelig om ernstig ziek te worden van een virale infectie.

Maak uw afspraak tijdig voor de vaccinaties van uw huisdier.

Ziekten waar we tegen vaccineren (katten)

Niesziekte kan veroorzaakt worden door verschillende virussen (herpes (40%), calici (20%), reovirussen) en bacteriën (chlamydia, bordetella, mycoplasmen). Tegen de meest voorkomende niesziekteverwekkers kan gevaccineerd worden, maar tegen sommige zeldzamere veroorzakers van niesziekte (reovirussen en mycoplasmen) kan helaas nog niet gevaccineerd worden. Dit betekent dat er nog altijd een kleine kans bestaat dat uw kat niesziekte kan krijgen, ook al is uw kat gevaccineerd.

Verspreiding en infectieverloop van het herpesvirus

De verspreiding van het herpesvirus gebeurt door direct contact en via de lucht. Het virus infecteert eerst de bovenste ademhalingswegen en de slijmvliezen van het oog. In zeldzame gevallen kan het virus vervolgens via het bloed ook in de inwendige organen terechtkomen. Na een infectie blijft het virus levenslang in het lichaam aanwezig, namelijk in de aangezichtszenuw (ganglion trigeminale). In periode van stress en onderdrukte afweer kan het virus weer vermeerderen. Katten die met herpes geïnfecteerd zijn kunnen zodoende levenslang opflakkeringen van niesziekte doormaken waarbij het virus ook weer naar soortgenoten verspreid kan worden. Katten die ooit met herpes besmet zijn blijven dus een besmettingsbron voor andere katten vormen.

Verspreiding en infectieverloop van het calicivirus

Het calicivirus kan in de omgeving wat beter overleven waardoor infecties, naast direct contact, ook via de besmette omgeving kan gebeuren. Het virus infecteert eerst het lymfeweefsel in de keel. Van daaruit verspreidt het virus zich vervolgens via het bloed naar het ademhalingsstelsel, het oog, de inwendige organen en de gewrichten. 10 tot 40% van de geïnfecteerde katten blijven levenslang drager van het virus. Hierbij blijft het virus in het lymfeweefsel van de keel aanwezig. Deze katten kunnen daardoor levenslang opflakkeringen van niesziekte doormaken en een besmettingsbron voor soortgenoten vormen.

Symptomen

De verwekkers van niesziekte veroorzaken een ontsteking van de bovenste luchtwegen met hoesten, niezen, oogvloei, neusvloei en koorts tot gevolg. De ziekte verloopt veelal ernstiger en kan bovendien bij jonge dieren fataal zijn. Op latere leeftijd zijn er vaak minder en mildere klachten. Het herstel duurt doorgaans een aantal dagen tot weken.
Calici kan, in tegenstelling tot herpes, naast de typische niesziektesymtomen ook blaasjes en zweertjes in de mond, tussen de tenen en op de voetzolen veroorzaken. Sommige katten kunnen bij een infectie met het calicivirus ook tijdelijk mankheid vertonen. Typisch aan calici is ook het feit dat de oogontsteking altijd eerst aan een enkel oog aanwezig is. Daarnaast bestaat er recentelijk ook een ernstige vorm van het calicivirus dat voornamelijk ernstige ziekte en sterfte bij volwassen katten kan veroorzaken.

Verspreiding en infectieverloop

Kattenziekte is een parvovirus, dat ongeveer dezelfde ziekte veroorzaakt als bij de hond en wordt via de ontlasting verspreid. Het is een zeer resistent virus dat in de omgeving maandenlang infectieus kan blijven. Als desinfectie kan het best chloorhoudende middelen zoals bleek gebruikt worden, aangezien het virus voor normale reinigingsmiddelen ongevoelig is. Het virus infecteert eerst de lokale lymfeweefsels van het ademhalingsstelsel. Vervolgens verspreidt het virus zich via het bloed naar de inwendige lymfeweefsels zoals de milt en de lever. Het virus verschijnt daarna een tweede maal in het bloed waarna het de actief delende weefsels infecteert. De darm is een voorbeeld van een dergelijk orgaan. Bij ongeboren of pasgeboren kittens kunnen daarnaast ook de kleine hersenen, die instaan voor de fijne motoriek, geïnfecteert en beschadigd raken.

Symptomen

De ziekte verloopt ernstiger en kan zelfs bij jonge kittens fataal zijn. De symptomen bestaan uit een gebrek aan eetlust, buikpijn, bloederige diarree, een verminderde afweer, coördinatiestoornissen (wankelen, omvallen), coma en sterfte

Ziekten waar we tegen vaccineren (honden)

Symptomen

Kennelhoestverwekkers veroorzaken een ontsteking van de bovenste luchtwegen met niezen, hoesten, oogvloei, neusvloei en koorts tot gevolg. De ziekte verloopt veelal ernstiger bij jonge dieren waarbij koorts, longontsteking en sterfte gezien kan worden. Op latere leeftijd zijn er vaak minder en mildere klachten. Het herstel duurt doorgaans een aantal dagen tot weken.

Oorzaak

Kennelhoest kan veroorzaakt worden door verschillende virussen (parainfluenza, hondenziekte, CAV1, reovirussen) en bacteriën (bordetella, mycoplasmen). Tegen de meest voorkomende kennelhoestverwekkers kan gevaccineerd worden, maar tegen sommige zeldzamere veroorzakers van kennelhoest (reovirussen en mycoplasmen) kan helaas nog niet gevaccineerd worden. Dit betekent dat uw hond in zeldzame gevallen, ook al is deze gevaccineerd, nog altijd kennelhoest kan krijgen.

Verspreiding

De infectie wordt door honden onderling overgedragen. Dit kan via direct contant, maar ook via de lucht gebeuren. Kennelhoest dat door CAV1 veroorzaakt wordt kan daarnaast ook via de omgeving honden besmetten.

De ziekte van Weil (Leptospirose) bij de hond en het risico voor de mens

 Wat is Leptospirose?

Leptospirose (Ziekte van Weil) wordt veroorzaakt door een bacterie die wereldwijd voorkomt bij onder andere knaagdieren, rundvee, honden en mensen. Vooral ratten en muizen zorgen voor verspreiding van de bacteriën, ook al zijn ze niet ziek. De bacteriën komen via de urine in de omgeving terecht en kunnen in water en in de vochtige grond maanden overleven.

rat-leptospirose

Hoe raakt mijn hond besmet?

Door contact van de slijmvliezen of de beschadigde huid met besmette urine, besmet water, besmette grond of door bloed-bloed contact.

Zwemmen, drinken uit natuurlijke waterbronnen en lopen door gebieden waar veel knaagdieren komen geven meer kans op infectie. Voor honden die jagen is er ook een verhoogd risico door het contact met wildlife. Ook honden in de stad kunnen besmet raken door het (nachtelijk) bezoek van ratten en muizen die de grond besmetten. 

Symptomen

Het ziektebeeld verschilt per dier. Het duurt na besmetting ongeveer 5-15 dagen voordat de eerste symptomen optreden en de verschijnselen houden enkele dagen tot twee weken aan. De symptomen hangen af van de hoeveelheid orgaanschade. Sommige dieren vertonen geen symptomen, sommige krijgen een milde griep en andere dieren zijn heel ernstig ziek door nier- en leverfalen.

Symptomen die men kan zien: acute koorts, sloomheid, niet willen eten, bloeduitstortingen (blauwe plekken), bloed in de urine of de ontlasting, bloed braken, bloedneus, braken, geelzucht, veel drinken en veel plassen of soms zelf helemaal niet meer plassen. Soms treedt sterfte op.

Therapie

De prognose voor het dier is veel gunstiger wanneer direct gestart wordt met een behandeling. Antibiotica zijn nodig om de bacteriën in het lichaam te doden en om de uitscheiding in de urine te stoppen. Bij uitgebreide orgaanschade is intensieve therapie noodzakelijk. Daarbij wordt geprobeerd om alle beschadigde organen zoveel mogelijk te ondersteunen en problemen zoals uitdroging, pijn, misselijkheid, anorexie en bloedarmoede te bestrijden.

Hoe gevaarlijk is een hond met leptospirose voor de mens?

De mens kan besmet raken door contact van de slijmvliezen (ogen, neus en mond) en de beschadigde huid met de besmette urine van honden. Strikte hygiëne maatregelen zijn dus noodzakelijk! Draag handschoenen, een bril en een masker over de mond en neus bij het aanraken van de hond en diens besmette urine of bloed. Grondige schoonmaak van de leefomgeving met gewone reinigingsmiddelen volstaat.

Mensen die in contact zijn gekomen met een besmette hond (of diens urine of bloed) dienen gedurende 4 weken goed op te letten of zij niet ziek worden. Binnen ongeveer 3 weken na het oplopen van een leptospirose infectie ontwikkelen mensen meestal (milde) griepverschijnselen zoals koorts, spierpijn en buikpijn. Bij sommige mensen treedt echter nierfalen en/of leverfalen op en ook andere organen kunnen beschadigd raken.

Bij koorts en griepverschijnselen moet direct een huisarts worden geraadpleegd, waarbij de mogelijkheid van leptospirose wordt vermeld! De huisarts bepaalt of een antibioticakuur noodzakelijk is.

Prognose (vooruitzicht) en controles

De prognose verschilt per dier. Hoe kleiner de orgaanschade en hoe sneller de behandeling is gestart, hoe beter de prognose. Soms is er blijvende schade aan bijvoorbeeld de nieren en is regelmatige controle bij uw dierenarts belangrijk.

Is het besmettelijk voor andere honden in huis?

Ja! Er wordt daarom geadviseerd om de patiënt apart te houden van andere honden in huis en de andere honden ook eenzelfde antibioticumkuur toe te dienen.

Vaccinatie

Vaccinaties verkleinen de kans op leptospirose enorm, maar bieden nooit 100% bescherming. Als er na vaccinatie toch besmetting optreedt, dan zijn de symptomen veel milder en is de kans op uitscheiden van bacteriën in de urine minimaal. De prognose is dus veel gunstiger en het risico op infectie van andere dieren en de mens is dan te verwaarlozen!

Bij pups en bij honden die langer dan 1,5 jaar niet zijn gevaccineerd zijn twee basisvaccinaties met 3-6 weken tussentijd nodig om gedurende 10 maanden goede bescherming te bieden. Na deze basisvaccinaties blijft hervaccinatie gedurende de rest van het leven noodzakelijk (elke 10 maanden).

Het jaarlijks vaccineren van honden en het bestrijden van knaagdieren zijn van groot belang bij het voorkomen van deze ziekte!

©VetVisuals® International

Verspreiding

Besmettelijk leverziekte wordt ook wel HCC (hepatitis contagiosa canis) of CAV1 genoemd. Infecties komen regelmatig voor. Vooral jonge honden van minder dan 1 jaar oud kunnen ernstig ziek worden, bij oudere honden verloopt de ziek veelal milder. Het virus wordt via het speeksel en de ontlasting van hond tot hond verspreid. Sommige honden die een infectie doorgemaakt hebben worden chronisch drager en verspreiden het virus via de urine. Het is een zeer resistent virus dat daardoor gemakkelijk in de omgeving kan overleven en waardoor voor overdracht geen direct contact met een besmette hond nodig is.

Oorzaak

Het virus komt via het ademhalingsstelsel en het lokale lymfeweefsel het lichaam binnen. Van daaruit zal het virus in het bloed terecht komen. Tenslotte zal het virus de bloedvaten infecteren en beschadigen. Bij sommige honden blijft het virus in de nieren en in het oog aanwezig en worden zo chronisch drager.

De symptomen maken meestal deel uit van het kennelhoestsyndroom (zie hierboven). In zeldzamere gevallen kan de ziekte uitgebreider zijn en algemene symptomen veroorzaken met braken, koorts, een gezwollen lever, bloederige diarree, buikpijn, nierontstekingen, bloedingen, stollingsstoornissen, krampen, verlammingen en sterfte. In ongeveer 20% van de gevallen ontwikkelt zich 4-6 dagen na de infectie een melkglasoog. Dit wordt zo genoemd omdat het oog een ondoorzichtig blauw-wittig aspect krijgt ten gevolge van een ontsteking van de iris en oedeem van het hoornvlies.

Verspreiding

Hondenziekte wordt ook wel de ziekte van carré of distemper genoemd. Het virus wordt via besmet oogvocht, neusvocht, urine en andere lichaamsvloeistoffen verspreid. Het kan in de omgeving niet goed overleven, zodat voor de verspreiding van het virus contact met een besmet dier direct of indirect nodig is. Infecties met dit virus verlopen, net zoals vele andere virussen, voornamelijk bij honden jonger dan 1 jaar ernstig. Bij volwassen dieren zijn de centrale zenuwsymptomen vaak de doodsoorzaak.

Symptomen

Het virus komt via het lokale lymfeweefsel van het ademhalingsstelsel het lichaam binnen. Van daaruit verspreid het virus zich via het bloed naar de milt, beenmerg en alle andere plaatsen waar lymfeweefsel aanwezig is. Vervolgens verschijnt het virus een tweede maal in het bloed. Bij honden waar het afweersysteem niet goed reageert zal het virus vervolgens verschillende epitheelweefsels (huid, darmen, nieren, longen) en de hersenen infecteren.

Ook dit virus kan deel uit maken van het kennelhoestsyndroom (zie hierboven). Andere symptomen kunnen bestaan uit abortus, doodgeboorte, koorts, braken, diarree, spierkrampen, verlammingen, huidproblemen (verharde voetzolen, verharde neusspiegel), centrale zenuwsstoornissen (cirkelgang, incoördinatie, epilepsie, coma) en sterfte. Het virus kan bij pups waar het blijvende gebit doorkomt ook de glazuurvorming beschadigen.

Verspreiding

Parvo is zeer resistent virus waardoor een besmette omgeving maandenlang gevaarlijk kan zijn voor met name jonge honden. Maar ook oudere honden blijven gevoelig, al verloopt de ziekte op latere leeftijd over het algemeen wel milder. Enkel chloorhoudende desinfectiemiddelen (zoals bleek) zouden dit virus kunnen doden. Infectie gebeurt voornamelijk via een besmette omgeving of besmette ontlasting, waarna het virus de darmcellen beschadigt. Direct contact met een besmet dier is bij deze virale ziekte dus zeker niet nodig.

Symptomen

Het virus komt via het lokale lymfeweefsel van het ademhalingsstelsel het lichaam binnen. Van daaruit verspreidt het virus zich via het bloed naar de milt, beenmerg en alle andere plaatsen waar lymfeweefsel aanwezig is. Vervolgens verschijnt het virus een tweede maal in het bloed. Het virus heeft dan vooral de voorkeur om snel delende weefsels te infecteren. De darm is een dergelijk orgaan. Bij honden jonger dan 16 weken is het hartspierweefsel ook gevoelig voor infectie met parvo.

De symptomen kunnen bestaan uit koorts, (bloederige) diarree, een verminderde eetlust, braken, uitdroging, hartziekte, ademhalingsproblemen, een tekort aan witte bloedcellen en sterfte. De prognose is gunstig als pups bij infectie 5 dagen overleven.

Coronavirus bij honden

Hondencorona is een enteraal (darm) virus.

Symptomen

De symptomen lijken op parvo maar verlopen meestal veel milder.

Contact Info

Afspraak Poli Bansse

Uranusstraat 92
Paramaribo-Noord

Spoed Poli Bansse

851-1294

Ontwormen, vaccinaties en meer

Ontdek meer over cruciale zorgaspecten, zoals ontworming, vaccinaties, tandgezondheid en tekenpreventie.

Honden

Puppy’s worden in het nest besmet met wormen. Wormen kunnen ervoor zorgen dat uw pup buikpijn krijgt en niet meer wil eten. Ook krijgen ze vaak diarree en gaan ze braken. Om dit te voorkomen is het belangrijk om uw pup regelmatig te ontwormen.

Leeftijd Check
2 weken
4 weken
6 weken
8 weken
10 weken
12 weken
4 maanden
5 maanden
6 maanden

Hierna dient uw hond elke twee maanden ontwormd te worden.

Een puppy krijgt van de moeder een afweer mee die de eerste weken voor bescherming zorgt. Na een tijdje verdwijnt deze afweer en is het heel belangrijk dat de pup zelf een afweer op gaat bouwen. Dit kan enkel door vaccinatie. Vaccineert u niet, dan is de kans groot dat uw hond besmet wordt met bijvoorbeeld het parvovirus, hondenziekte of de ziekte van Weil. Veel honden overleven dit niet. Daarbij is de ziekte van Weil ook gevaarlijk voor ons als mens! Daarom adviseren wij u dringend om te vaccineren. Maak hierbij geen onderscheid tussen rashonden en straathonden, ook de Surinaamse straathonden moeten gewoon gevaccineerd worden.

Leeftijd Check
6 weken
9 weken
12 weken
9 maanden

Hierna moet de vaccinatie elke 10 maanden herhaald worden.

Katten

De leeftijd waarop u uw nieuw kitten in huis komt kan verschillen en hangt af van het moment waarop de fokker besloten heeft om de kittens uit huis te plaatsen. In principe kan de kitten van de moeder en de nestgenootjes gescheiden worden wanneer het melkgebit compleet is en ze volledig vast voedsel eet. Dat zou dus vanaf de leeftijd van 8-9 weken zijn. Wettelijk gezien mogen kittens echter al vanaf de leeftijd van 7 weken van de moeder gescheiden worden. U kunt het beste aan de fokker navragen hoe oud uw kitten is en welke vaccinaties en ontwormingen het al heeft gehad.

Levensweek 2: Ontwormen
Levensweek 4: Ontwormen
Levensweek 7: Ontwormen
Levensweek 9: Eerste vaccinatie
Melkgebit is compleet
Levensweek 12: Tweede vaccinatie
Ontwormen
Start tandwisseling van melkgebit naar volwassen gebit
Levensweek 16 (maand 4): Ontwormen
Einde socialisatieperiode
Levensweek 24 (maand 6): Ontwormen
Tandwisseling compleet

Als u nog vragen heeft, neem dan contact met ons op